Wat zit er op de tanden?

Op de tanden van een onderkaak van een mannelijk individu, afkomstig van het Clarissenkerkhof in Gouda (van circa 1470 tot 1573 in gebruik), zijn twee lagen zichtbaar. De onderste laag bestaat uit bruin tandsteen die ter hoogte van de bovenzijde van de tandwortels zichtbaar is. Normaliter komt op deze gebitselementen aan de binnenzijde van de onderkaak het meeste tandsteen voor omdat deze elementen zich dichtbij de speekselklier bevinden. Boven de bruine laag tandsteen is een zwarte, glanzende laag te zien die de snijvlakken en de binnenzijden van de gebitselementen geheel bedekt. De zwarte aanslag oogt niet als het gebruikelijke tandsteen en het is tot nu toe onduidelijk wat het is.

Het frequent roken van een pijp of het kauwen van tabak kan resulteren in een bruin/zwarte coating van teer op de gebitselementen. Dit ontstaat vooral aan de tongzijde (linguale zijde) van de elementen. In historische bronnen wordt er echter geen melding gemaakt dat iets anders dan tabak in Nederland vóór 1580 werd gerookt. Pas vanaf circa 1615 neemt het pijproken snel in omvang toe in Nederland, en daarmee ook de pijpnijverheid. Aangezien de onderzochte individuen van het kerkhof van de Clarissen in Gouda van voor 1580 dateren lijkt het niet aannemelijk dat de zwarte laag op het tandglazuur teeraanslag is als gevolg van het roken of kauwen van tabak.

Behalve teeraanslag door tabak kan tannine leiden tot een zwarte verkleuring op de tanden. Wijn en thee bevatten onder andere tannine. Mogelijk kan de zwarte laag ook komen door pek kauwen of bepaalde werkzaamheden waarbij de tanden en pekdraad werden gebruikt zoals bijvoorbeeld het werk van een schoenmaker. Om te achterhalen waaruit de zwarte laag is samengesteld dient een microscooponderzoek te worden uitgevoerd. Door middel van moleculaire technieken kan worden vastgesteld wat de oorzaak is geweest voor het ontstaan van de zwarte laag op het tandglazuur.

Constance van der Linden
Tot op het Bot

Terug naar alle verhalen