Van armband tot paardenbit

In het kader van een onderzoek naar de samenstelling en bewegingen van het Romeinse leger in het Neder-Rijnse gebied in de 1ste eeuw na Chr. is een selectie van metalen voorwerpen afkomstig van militaire terreinen uit de Romeinse tijd onderzocht. Het gaat in het bijzonder om meerdere ringen van respectievelijk ijzer en koperlegering die bij opgravingen in de periode 1986-1995 zijn verzameld op het Kops Plateau in het oosten van Nijmegen. In de vroeg-Romeinse tijd lag hier een militaire versterking. De ringen hebben een gemiddelde diameter van ongeveer 10 cm. Wat opvalt, is de sluiting: de ringen bestaan niet uit één geheel, maar kunnen worden gesloten door het ene uiteinde door het opstaande oog aan het andere uiteinde te plaatsen en vervolgens te vergrendelen met een kleine pin. Zo ontstaat een vrij grove, eenvoudige sluiting.

In de oorspronkelijke opgravingsdatabase staat bij deze objecten als determinatie ingevuld ‘draagring voor strigiles’, ‘beugel voor strigiles’ of zelfs ‘handboei’. De grove uitvoering spreekt een interpretatie als draagring voor strigiles (huidkrabbers) tegen; zulke ringen waaraan strigiles gehangen konden worden, zijn doorgaans meer verfijnd uitgevoerd. Tegen een functie als handboei kan worden ingebracht dat de sluiting makkelijk te openen was, juist ook door de gevangene.

Foto: Museum Het Valkhof, Nijmegen

In de collectie van Museum Het Valkhof bevindt zich een vergelijkbare ring van koperlegering. Op de oude inventariskaart staat genoteerd: ‘grote ronde armband met ring en vogelkoptype met oog om pin door te laten’. Nog sterker dan voor een duiding als draagring geldt dat dergelijke ringen bijzonder grof zijn vormgegeven als ze als armband zouden zijn gedragen. Zo zijn de ringen in doorsnee niet plat maar rond, en zullen de sluitingen met het opstaande oog het draagcomfort zeker niet hebben verhoogd.

Een vondst uit het Duitse Krefeld-Gellep biedt uitkomst: daar werd een dergelijke metalen ring aangetroffen bij het skelet van een paard dat vermoedelijk in de Bataafse Opstand (69-70 na Chr.) is gesneuveld. Bij het opgraven werd geconstateerd dat de ring om de onderkaak van het paard lag. De ring zelf blijkt dus als het mondstuk van een paardenbit te hebben gediend. Dit is een ongebruikelijke constructie, niet alleen in de Romeinse tijd maar ook nu. Tegenwoordig worden zogenaamde ringbitten nog wel gebruikt, maar alleen sporadisch, als tamelijk hardhandig controlemiddel bij lastig te bedwingen paarden. De ringen gevonden op het Kops Plateau blijken dus geen draagringen voor strigiles, handboeien of armbanden, maar uitzonderlijke paardenbitten te zijn.

Tekening: R.P. Reijnen/Radboud Universiteit

Buiten Nijmegen en Krefeld-Gellep zijn dergelijke metalen ringen met een diameter van pakweg 10 cm en opvallende sluitingen inmiddels herkend onder vondsten uit Bunnik-Vechten, Neuss, Haltern en Kalkriese. Hoewel exacte parallellen voor deze ringbitten niet gevonden zijn buiten dit gebied, lijken vergelijkbare exemplaren uit voor-Romeins Spanje erop te wijzen dat het misschien ruiters afkomstig van het Iberisch Schiereiland waren die op deze manier hun paarden beteugelden. Cavalerie was binnen het Romeinse leger bovenal voorbehouden aan de hulptroepen, en het is juist in die hulptroepen dat we manschappen uit de grensgebieden of zelfs van buiten het rijk kunnen verwachten. De opvallende ringbitten gevonden op verschillende militaire sites in het Neder-Rijnse gebied geven op deze manier meer inzicht in de samenstelling en mobiliteit van het Romeinse leger.

Marenne Zandstra

Museum Het Valkhof